Veel ondernemers starten een vennootschap terwijl ze getrouwd zijn, zonder zich echt af te vragen wat dat later kan betekenen. Toch zien we in de praktijk dat discussies over aandelen bij echtscheiding of overlijden vaak ontstaan omdat er bij de oprichting niet stilgestaan werd bij het huwelijksstelsel.
Onder het wettelijk stelsel is vooral belangrijk met welk geld de vennootschap werd opgericht. Stel dat u tijdens het huwelijk 10.000 euro inbrengt om uw vennootschap op te starten en dat geld komt van de gezamenlijke gezinsrekening waarop ook beide lonen binnenkomen. Dan zijn de aandelen in principe gemeenschappelijk, ook al staat alleen uw naam in het aandelenregister. In de praktijk zien we vaak dat ondernemers verbaasd zijn wanneer hun ex-partner bij een scheiding recht blijkt te hebben op de helft van de waarde van de aandelen, zelfs al werkte die partner nooit mee in de zaak. Het argument “maar de vennootschap staat alleen op mijn naam” helpt dan niet. Wat telt, is waar het geld vandaan kwam.
Een ander voorbeeld. U richt uw vennootschap op met 20.000 euro die u vóór uw huwelijk opzijzette. Dat geld stond op een rekening enkel op uw naam en u kan dat achteraf aantonen via uittreksels. In dat geval blijven de aandelen uw eigen vermogen. Maar als er tijdens het huwelijk loon op diezelfde rekening terechtkomt en u later een storting naar de vennootschap doet, ontstaat er twijfel. In de praktijk zien we dat dit snel aanleiding geeft tot discussie: was het nu eigen geld of gemeenschappelijk geld? Een kleine onduidelijkheid kan dan grote gevolgen hebben.
Ook inkomsten spelen mee. Veel ondernemers denken dat dividenden “van hen” zijn omdat zij de aandelen houden. In het wettelijk stelsel vallen dividenden echter automatisch in het gemeenschappelijk vermogen. Zo komt het geregeld voor dat een ondernemer jarenlang dividenden op een aparte rekening laat uitbetalen, maar nadien vaststelt dat de ex-partner daarop toch aanspraak kan maken. Wie dat wil vermijden, moet een huwelijkscontract laten opstellen waarin staat dat dergelijke inkomsten eigen blijven.
In een stelsel van scheiding van goederen is de situatie helderder. Wie een vennootschap opricht, doet dat met eigen middelen en de aandelen blijven volledig van hem of haar. In de praktijk kiezen veel ondernemers hiervoor omdat dit duidelijkheid geeft en vermijdt dat de vennootschap “mee ontbonden” wordt bij echtscheiding.
In een algehele gemeenschap van goederen is het omgekeerde waar. Daar behoort alles tot het gezamenlijke vermogen. We zien dit nog bij sommige koppels die bewust kiezen voor volledige gelijkheid. In dat stelsel zijn alle aandelen automatisch van beide partners, ongeacht wie ze financierde of wie ze beheert. Bij een scheiding moeten de aandelen verdeeld worden of moet een van beide de ander uitkopen.
Omdat deze regels zulke ingrijpende effecten hebben, is het in de praktijk essentieel om bij de oprichting van een vennootschap duidelijk te documenteren wat de bedoeling is. Zo komt het vaak voor dat een ondernemer tijdens de oprichting snel een storting doet van de gewone gezinsrekening, gewoon omdat dat de rekening is die op dat moment geld bevat. Jaren later leidt dit dan tot de vaststelling dat de aandelen eigenlijk gemeenschappelijk zijn geworden, terwijl dat nooit de bedoeling was. Door van bij de start te werken met de juiste rekening en dit in de akte te laten opnemen, voorkomt u die discussies.
Wanneer partners later niet meer kunnen samenwerken binnen de vennootschap, zien we dat de beste oplossing meestal een minnelijke overname is. Lukt dat niet, dan komt de zaak voor de rechtbank en wordt een deskundige aangesteld die de vennootschap waardeert en bepaalt wie welke aandelen moet overnemen en tegen welke prijs. Dat proces is vaak duurder en spanningsvoller dan wanneer partners op voorhand voldoende duidelijkheid scheppen.